De dag dat Coco naar mij toe kwam was niet gepland. Ik was die nacht bewust doorgegaan om mijn slaapritme te fixen, dus ik was al zo'n dertig uur wakker toen ze binnenkwam. Achteraf een rare start, en het werd ook geen makkelijke week. Niet alleen vanwege mijn slaaptekort, maar vooral vanwege wat er bij haar aan de hand was.
Wat er binnenkwam
Coco kon niet stilliggen. Ze was constant druk, ging overal aan bijten en kwam nergens tot rust. Zette ik alleen al een glas neer, dan stond ze meteen weer scherp en schoot ze in paniek. Buiten was het nog erger. Daar bestond alles uit trekken aan de lijn en rondjes rennen.
Dat is het punt waarop de meeste mensen beginnen met oefeningen. Zit, netjes lopen, wachten. Maar een hond die niet kan rusten, kan ook niets opnemen. Dus daar begon ik niet.
Waar ik naartoe werkte
Twee dingen: dat ze kon rusten, en dat ze merkte dat het hier veilig was. Meer niet. Geen commando's, geen opbouw, geen huiswerk.
Wanneer dat zou lukken, maakte niet uit. Ik heb nooit een doel per week gehad. Een volgende stap komt pas als Coco er duidelijk klaar voor is, niet omdat een schema zegt dat het tijd is. Zolang het steeds ietsjes beter gaat, zit je goed.
Vaak heb je zelf niet door hoeveel er verandert. Pas als je een week later terugkijkt, zie je dat iets wat toen niet lukte nu vanzelf gaat. Dat terugkijken heb ik echt nodig gehad. Het gaf me het doorzettingsvermogen om door te gaan, hoe zwaar het ook was.
De nachten
De eerste nacht sliep ze nauwelijks. Ik heb een paar dagen op de bank geslapen zodat ik in de buurt was, want zodra ik naar boven ging begon ze te huilen. Niet af en toe, maar zonder ook maar één pauze.
Als je hond tussen het huilen door pauzes heeft, kan hij zichzelf nog kalmeren. Zitten er geen pauzes in, dan zit hij in echte paniek en komt hij daar op eigen kracht niet meer uit. Dat is het verschil tussen even doorbijten en te ver gaan.
Die eerste paar nachten sliep ik zelf ongeveer twee uur. Daarna kwam er elke nacht wat bij. Niet in één keer beter, gewoon elke nacht een stukje meer.
De ren om de bench
Op dag twee heb ik een ren gehaald en die om haar bench heen gezet. Daardoor hoefde ze niet in de bench, maar kon ze er wel zelf voor kiezen. Dat verschil bleek groot. De bench zelf maakte ik ondertussen langzaam leuker: door de dag heen gooide ik er brokjes in en haar eten gaf ik er ook in.
Hoe je die associatie opbouwt bij een hond die zijn bench niet vertrouwt, staat in Hond wil niet in de bench.
De ren was voor haar meteen een stuk fijner. Na een week ging ze soms uit zichzelf in haar bench liggen.
De stoel
Overdag was het voor ons allebei zwaar. Als ik wakker was ging ik op een stoel vlak bij de ren zitten, om haar te leren dat er niets hoefde te gebeuren. In het begin huilde ze daar gewoon doorheen. Maar op een gegeven moment begon ze me na te doen: ik deed niets, dus zij ook niet.
Die stoel werd uiteindelijk de ruststoel. Zat ze in haar ren, dan huilde ze tot ik ging zitten. Daarna wist ze het: nu gaan we liggen en doen we niets.
Bijten leverde niets op
Coco beet veel. Aan mijn kleren, aan mijn handen, aan alles wat langskwam. Dat is het enige waar ik die week wel meteen iets mee deed, want hoe langer het loont, hoe normaler het voor haar wordt.
Wat ik deed was simpel: zodra ze beet, stopte ik met aandacht geven en negeerde ik haar. Geen "au", geen wegduwen, er geen spelletje van maken. Ik werd saai. Pas als ze ophield, was er weer iets te halen.
Bezoek moest haar eerst negeren
Vanaf de eerste dag vroeg ik bezoek hetzelfde: niet aankijken, niet aaien, niet aanspreken. Pas als ze rustig was, mocht ze begroet worden. En ging ze bijten, dan moest het bezoek haar net zo goed meteen negeren en saai worden.
Dat wilde ik meteen duidelijk hebben, om twee redenen. Bezoek verandert zo niets aan hoe haar dag eruitziet, en het blijft kloppen: ook bij iemand anders levert bijten geen aandacht op. Eén persoon die het juist leuk vindt, is genoeg om je vooruitgang een stap terug te zetten.
Wat ik bewust niet deed, was haar bij bezoek naar haar plek sturen. Die plek kende ze nog niet goed genoeg. Er gebeurt dan iets nieuws in huis, en juist op dat moment iets vragen wat nog niet vastzit, is te veel gevraagd.
En ik hield het bezoek klein. Eén persoon tegelijk, en niet vaker dan een keer of twee per week.
Eén keer kwam mijn moeder, omdat ik zo weinig geslapen had dat ik echt moest bijslapen. Zij deed precies hetzelfde als ik: Coco in haar ren, zijzelf op de ruststoel. En dat werkte. Coco snapte daar dat er niets ging gebeuren, juist omdat ze die stoel al van mij kende.
Hoe je bezoek over de vloer krijgt zonder dat je hond erin schiet, komt in een aparte uitleg over bezoek. Die staat er nog niet.
De kat ging naar boven
Mijn kat Mowgli woonde hier al voordat Coco kwam. Honden kende hij allang, en Coco had hij een paar keer gezien voordat ze bij mij introk, toen ze nog niet zo gespannen was. Maar deze versie van haar was hem simpelweg te druk.
Zijn oplossing was even praktisch als duidelijk: hij ging boven zitten en bleef daar. Dat duurde een tijd.
Juist daarom heb ik Coco nooit naar boven laten gaan. Boven was geen optie, en dat is het ook nooit geworden. Ik wilde dat Mowgli een plek had waar Coco niet kwam. En toen ik eenmaal weer in mijn eigen bed sliep, bleef dat het moment van mijn kat en mij.
Mowgli ging ondertussen wel meer aandacht vragen, en dat is logisch: normaal was hij de hele dag bij mij. Daar heb ik me toen echt schuldig over gevoeld. Uiteindelijk is het helemaal goedgekomen. Dieren voelen het aan zodra het rustiger wordt in huis, en dan komt zo'n kat vanzelf weer even hallo zeggen. Hoe dat ging lees je in de weken hierna.
Hoe je een hond en een kat aan elkaar laat wennen, komt in een aparte uitleg. Die staat er nog niet.
Elk uur naar buiten
Ze was nog niet zindelijk. Bij haar vorige eigenaar had ze altijd toegang tot de tuin, waardoor haar blaas nooit getraind was en ze ook nooit had geleerd aan te geven dat ze moest.
Dus gingen we elk uur naar buiten, steeds naar precies hetzelfde grasveld. Alleen was de weg ernaartoe al te veel. Zodra we de gang in liepen trok ze aan de jassen, en buiten rende ze rondjes en ging ze helemaal op. De buitenwereld was simpelweg te veel prikkels tegelijk: er gebeurde zoveel dat ze niet wist wat ze ermee aan moest.
Na een paar minuten was ze dan alweer op. Dus hield ik het kort: even plassen en weer naar binnen. En zo kregen de dagen hun ritme. Niets doen op de stoel, snel naar buiten, weer niets doen op de stoel.
Waar we aan het eind van de week stonden
Geluiden konden haar nog steeds laten schrikken. Het verschil was dat ze er steeds sneller van herstelde.
Rond dag vijf ben ik voor het eerst weer boven gaan slapen. Ze huilde nog wel, maar elke nacht kalmeerde ze wat sneller, en uiteindelijk sliep ze door. Eindelijk weer een nacht slaap, voor ons allebei.
Wat ik eruit meeneem
In die eerste week heb ik haar niets geleerd wat op een oefening lijkt. Ik heb alleen gezorgd dat ze kon rusten en dat er niets van haar werd gevraagd. Precies dat maakte alles wat erna kwam pas mogelijk.
